14-6-1561: De gemachtigde van de ambtman eist voor de bank van Kesteren een boete van 25 gulden tegen Dirck Vonck en zijn broer Roelof. Zij hadden met honden op hazen gejaagd en met netten veldhoenderen gevangen en dat recht was volgens de ambtman voorbehouden aan landsheerlijke ambtenaren en aan de ridderschap. Dirck en Roelof Vonck stellen echter dat zij als opvolgers van hun voorouders gerechtigd zijn honden te houden, te jagen, etc, dat hun ouders en gootouders dat ook al deden en dat zij daarbij nooit door de ambtman gehinderd waren. Zij ontleenden dit recht aan hun afstamming van een natuurlijke zoon van de heer van Lienden (zij voerden ook hetzelfde wapen als de adelijke van Lynden?s). Er ontspint zich daarop in 1574 voor het Hof een proces over de vermeende riddermatigheid van verschillende leden van de familie Vonck. Ook de buurmeesters van Lienden mengen zich in dit geschil en brengen in dat de Voncken altijd huislieden zijn geweest, belasting hebben betaald en in de tijd van hertog Karel de klokkenslag hebben gevolgd. Zij hadden daar ook belang bij, omdat, als de Voncken als edelen zouden worden vrijgesteld van belasting, de dorpelingen met minder mensen de vastgestelde belastingen zouden moeten opbrengen. [Plomp, Een
boer is geen edelman, Jb.CBG, p.96]
permalink:
https://wilschut.nl/gdp/index.php/pers/get/1-9367
Gekopieerd!