Vader:
Gijsbert Bosch
Moeder: NN
- testeert 25-11-1637
- Overleden: tussen 6 april 1644 en 15 april 1644
ONA Amersfoort, Recordnr 14759, not. J. van Ingen AT002a003 fol. 469v-471v, 25-11-1637: testament van Rijck Bosch Gijsbertszn (borger van Amersfoort, cranck van lichaam, te bedde liggende) en Mechtelt van Westrhenen, Brieve van octroy: 11-10-1610 hof van Utrecht; hij vermaakt al zijn bezittingen aan Gijsbert Bosch, enig kind van hem en zijn vrouw, hem hiermee instituerende tot zijn enige universele erfgenaam. In deze erfenis zijn inbegrepen de kooppenningen van zekere afgegraven venen te Amerongen, die onder andere zitten in de "maechescheyt" van 14-07-1631 tussen testateur en zijn broeder en zuster (not. J. van Ingen), welke boedelscheiding bij deze door testateur wordt gehandhaafd. In dezelfde erfenis zal tevens inbegrepen zijn testateurs portie in het erf Boelenhouff, hem aangeërfd van zijn broer Anthonis Bosch en aangekocht van Rijck van der Wall, alsmede twee lijfrentebrieven (op voornoemde zoon), te Utrecht belegd. Voorwaarde is dat indien zijn voornoemde zoon overlijdt zonder echte geboorte na te laten of de echte geboorte overlijdt zonder echte geboorte, dan zullen alle goederen en erfenis volgens dit testament vererven en succederen (zonder voorkeur), voor de helft op Gijsbert van Rhijn of bij overlijden op zijn nalatende echte kinderen, en de andere helft op Bettgen Willem Bossendochter, huisvrouw van Dirck Matheusz (notaris), of bij haar overlijden op haar echte nalatende kinderen. Zij dienen dan wel uit deze erfenis uit te reiken aan:
- de echte kinderen van Armgert van Rhijn, huisvrouw van Gerrit Goortsz Cryel, 600 gulden;
- de kinderen van Dirckgen Bossen, huisvrouw van Goort Cornelisz, ook 600 gulden;
- Willemtgen Bossen of haar erfgenamen, 600 gulden;
- de echte kinderen van Dirckgen van Raesfelt, huisvrouw van Peter Maesz eveneens 600 gulden.
Testateur legateert nog aan:
- Gosen Jacobszn. Bosch (zijn neef, nagelaten zoon van Jacob Bosch, zijn overleden broeder), door Gijsbert Bosch (testateurs zoon) terstond na testateurs dood uit te reiken, 200 gulden aan geld, zijn dagelijkse lakense clederen, "gecoleurde" mantel, hoed en zes hemden;
- de kinderen van Gerrit Goortzn. al hetgeen hij voor hen "verstaeckt" zou hebben en dit zal worden gecompenseerd voor zover hij ze iets verschuldigd is.
Verder verklaart hij dat:
- Thonis Evert Goortzn. (gebruiker van de Boelenhoeff) nog twee jaren vrije pacht heeft, ingaand Petri ad Cathedrum 1638 (= 22-02-1638), volgens de overeenkomst terzake;
- voornoemde Gijsbert Bosch (zijn zoon) niet mag pretenderen of verwachten de pacht die testateur met zijn neef Gijsbert van Rhijn gemeenschappelijk heeft, evenals die Anthonia Boschen alleen zal hebben en die hij te harer "bate en schade" bij deze legateert;
Hij legateert nog alle verschenen pachten en renten ten behoeve van zijn zuster, Anthonia Bosch.
Hij verklaart dat zijn zoon, Gijsbert Bosch, in voornoemde erfenis mede zal hebben het gehele huis, hof en hofstede met de boomgaard, te Amerongen, op last van 5 stuivers jaarlijks, volgens twee "versuymelicke" tienden ten behoeve van de heer van Amerongen, die men gehouden is te betalen Martini in de winter, en op last van een stuiver, acht penningen jaarlijks ten behoeve van Jkhr. Johan van Ravenswaay, en op last van 400 gulden hoofdsom daarin gevestigd, ten behoeve van Anthonis van Berck (scholt van t Hoochlant), waarvan jaarlijks 25 stuivers rente betaald moet worden onder aftrek van de 20e penning. Verder nog op last van 250 gulden hoofsoms daarin gevestigd ten behoeve van Jacob van Sevender (te Utrecht), waarvan de rente betaald moet worden en nog 50 gulden hoofdsom ten gunste van de kerk te Amerongen.
Tevens zal in de erfenis begrepen zijn huis, hof en hofstede te Soest, in gebruik bij Jan Loogen, genaamd t Cleverblad, op de lasten van onbetaalde kooppenningen vandien, hoewel Anthonia Bosch aan genoemde twee percelen (Amerongen en Soest) eveneens haar kooppenningen moet betalen. Zij zal alleen behouden het kampje land met Thonis Evert Goortsz, tegen enige jaren huur, en voor de helft de nieuwe kamp land tegenover de Tolick van Jhr. Seger van Achtevelt, verkregen door "punitatie" (= straf), en de andere helft is voor Gijsbert Bosch (zijn zoon). Welke twee kampen land testateur zijn voornoemde zuster Anthonia, de ene geheel en de andere voor de helft legateert.
Hij legateert nog aan Marrichgen Teel Servaesdr, 150 gulden.
Hij stelt tot executeurs van dit testament, Gijsbert van Rhijn en Dirck Matheusz, die gehouden zullen zijn behoorlijke staat en inventaris te maken van zijn nalatenschap, tot tevredenheid van de naaste familie van testateurs zijde, met uitsluiting van de moeder en familie van moeders zijde van zijn voornoemde zoon. Hij secludeert de weeskamer dezer stad. Acte ter woonplaatse van comparant. Getuigen: Otto van Gessel, Symon Gerritz (Gerardstszn), Cornelis Cornelisz Hoppesteyn.
N.B. 1) Ook zijn zuster Anthonia ondertekent deze akte met merkteken.
2) In de kantlijn bovenaan staat dat dit testament door Rijck Bosch en Anthonia Bosch wordt gerevoceerd en geannuleerd op 06-03-1642 met getuigen Andries Reyers, Cornelis Cornelisz Hoppesteyn en Cornelis Matheus (backer).
ONA Amersfoort, Recordnr 15318, not. J. van Ingen AT002a004 fol. 52-53, 31-3-1642: testament van broer en zus Rijck Bosch en Anthonia Bosch (ziek te bedde liggende);
Rijck vermaakt aan Anthonia de lijftocht, haar leven lang, van de huysinge genaamd Het Springende Peert, met aancleve vandien, aan de Verckemerct, door hen bewoond, zonder dat Anthonia daarvoor enige huishuur zal betalen, dan alleen het "huysgeld en de buyrlasten" en de reparaties.
Anthonia verklaart dat alhoewel zij in haar besloten testament alle voorgaande disposities heeft herroepen, het niet haar bedoeling is dat dit geldt voor de donatie van 400 gulden gulden kapitaal en lijfrente voor Annetgen Gerrit Goortsdr. Dit bedrag is op haar lijf vastgezet ten kantore van de Generale Middelen van de Ed. Mog. Heeren Staten des Lands van Utrecht en vastgelegd in een acte van 30-11-1636 door notaris Rijck van Mulenborch. Dit legateert zij alsnog aan Annetgen Gerrit Goortsdr.
Broer en zus legateren nog tesamen aan Armgart van Rhijn, weduwe van Gerrit Goortzn. alle penningen die zij aan hen schuldig is inzake vervallen huishuur tot mei 1641, mits daar tegenover staat dat eveneens zullen vervallen de kosten voor verteringen, wagenvrachten en anderszins die Armgart hen tot heden in rekening zou mogen brengen.
Zij willen dat de drie grafsteden in de St. Joriskerk, naast elkaar liggend onder het weversglas in de noordkerk, gemeenschappelijk eigendom zullen blijven van hun erfgenamen gedurende 50 jaren na heden en binnen deze tijd mogen al hun erfgenamen en nakomelingen hierin begraven worden, zonder dat iemand daar kosten voor rekent. In deze periode mogen de grafsteden niet geheel of gedeeltelijk worden verkocht of bezwaard. Na genoemde 50 jaren zullen ze deelbaar vererven op de naasten van beide comparanten die dan in leven zijn.
Getuigen: Philips van Duverden, Cornelis Matheus en Jan Janz.
permalink:
https://wilschut.nl/gdp/index.php/pers/get/1-40542
Gekopieerd!