BEM I:394.
APOTH regest 592 (inv. 1190):
1590 juli 9
Jacob Gerrits en Jorden Poijt, huwelijkslieden, Ghysbert van der Maeth en Cunera Albert Lumanss dochter met hun zoon Everdt, aan de ene kant en Cornelis Reijers en Jacob van Westrenen, huwelijkslieden en Catherijna weduwe van Jan van Snuell met haar dochter Wilhelma van Snuel, aan de andere kant, sluiten een huwelijksovereenkomst waarbij
waarbij de eerste partij inbrengt
- de helft van huis, hofstede, boomgaarden en houtgewas in Nederlangbroek, groot 35 morgen, in pacht bij Pons Claess;
- het vierde deel van erve en goed op het Hooghelandt, geheten Luttike Weede, waarvan de helft van Poijtghen Swart toebehoort, in pacht bij Thonis Rijcx;
- drievierde van 6 dagmaten aan de overzijde van de Laak strekkende van het land van kapitein Luijt Rycx Dyckstael tot aan de Gelderse dijk, waarvan het vierdedeel toebhoort;
de andere partij brengt in:
- erve en goed gelegen te Soest Mapperdeus geheten;
- de helft van twee vierdelen in het Zwarteland, gemeenschappelijk met Jacob van Westrenen;
- de helft van een rentebrief van 500 Karolusguldens hoofdsom, ten laste van Jan van Schadyck;
- de helft van twee rengtebrieven elk van 200 glden hoofdsom, ten laste van het klooster Mariënhof en Jan van Ryn Henricxz;
- een lijfrente van 10 Karolusguldens per jaar voor Wilhelmina, ten laste van de stad Amersfoort;
- 12 gulden 10 stuivers lijfrente jaarlijks bij reductie? 10 gulden jaarlijks ten laste van de stad Antwerpen;
- een losrente van 6 Karolusguldens jaarlijks, hoofdsom 100 gulden, ten laste van de weduwe van Jan Boede;
- Mocht een van hen beiden overlijden zonder een kind bij de andere te hebben, dan vervallen de goederen weer aan de familie waar ze vandaan komen;
- verder zal Evert aan Wilhelmina binnen het jaar als morgengave een lijfrente geven van 25 Karolusguldens jaarlijks tot ze hertrouwt. Oorspr. Met zegels en handtekeningen van de huwelijkslieden.
APOTH regest 598 (inv. 908), 1595 mei 15:
Joachim van Hardenbrouck beleent Evert van der Maeth na de dood van zijn vader Gijsbert Jorden van der Maeth met 23 morgen, strekkende van de Broekerwetering tot de Goyerwetering, boven begrensd door het land van Goert Bol en beneden de erfgenamen van Eerst van Ysendern; 12 morgen, ter Goijerwaerts strekkende, boven begrensd door het land van de erfgenamen van Eernst van Ysendern en benedendoor dat van Godtschalch weduwe van Winss erfgenamen,
beide stukken land gelegen in Neerlangbroek in de 25 hoeven,
Evert heeft hiervoor hulde en eed gedaan ten overstaan van Daniel en Peter van Meerle, advocaten bij het Hof van Utrecht, leenmannen. Oorspr. Met het zegel van de leenheer.
APOTH regest 599 (inv. 1081), 1595 september 11:
Herman van Vanevelt, knape, beleent Jorden van der Maeth als opvolger van zijn vader Gijsbert van der Maeth met de hofstede Luttike Wede, ten overstaan van de leenmannen Jacob Gerrits vander Bosch en Johan van Vanevelt. Oorspr. Met fragment van het zegel.
N.B. Met dorsale aantekening betreffende de belening in 1598 namens Johan van Oldenbarnevelt van Jorden vander Maeth met het goed.
Relaties:
- Gehuwd (Schepenbank) met Wilhelma van Snuel (†>1616)
Huwelijk: op 9 juli 1590 te Amersfoort
permalink:
https://wilschut.nl/gdp/index.php/pers/get/1-21825
Gekopieerd!