LBBL leen 51, de heerlijkheid Lathum c.a., 21-7-1460: Zeyne van Broichuisen beleend voor de Vrouwe van Haeren [noot 3: nl. Oede van Montfoirt, gehuwd met Willem Dobbelsteyn]; 27-9-1462: Willem Dobbelsteyn, heer tot Haeren [noot 4: 21-7-1465 beslist Katharina van Ghemen en Voirst in een geschil tusschen Willem Dobbelsteen van Donrade en Katharina van Petershem, vrouwe tot Haren en Lathum, e.l.; Zeyne zal genoemde e.l. overgeven al het goed en alles wat tot de heerlijkheid behoort, w.o. de pachtbrieven en oorkonden, welke Derick (van Petershem, heer van) Haren, en Oda, zijn vrouw, aan wijlen Gisbert van Broichuysen overgegeven hadden, zoomede de oorkonde waarbij Walraven van Moers, heer tot Baer, als leenheer, indertijd zijn toestemming daartoe gegeven had. Mocht Zeyne met vergunning van den tegenwoordigen leenheer Willem van Egmond en Baer deze goederen bezwaard hebben, dan moet hij deze aflossen enz., waarentegen Willem Dobbelsteen hem op 1 mei a.s. moet uitbetalen 400 R.gl. benevens alle inkomsten uit de heerlijkheid tot Martini eerstkomende].
LBER leen 39, "All oir guet, alse hevet in der heerscap van den Berge, to 1 Marke" in Didam, 1-8-1433: Deric van Peterssom, heer to Haren, t.b.v. zijner vrouw, die het leen ten huwelijk had medegekregen van haar vader, heer Willem van Montfoirde; 10-6-1443: Jan van der Aa t.b.v. zijnder vrouw Ode van Montfoirde, vrouwe to Lathem, na doode van Deric van Peterssom; 1451: na doode van Johan van der Aa is hulder Steven Ploich; 1-10-1462: Claus van der Donck t.b.v. zijner vrouw Ude, dochter van Ude van Montfoerde, na doode van haar moeder.
permalink:
https://wilschut.nl/gdp/index.php/pers/get/1-30503
Gekopieerd!